
Gewone mensen en hun bogen
Een verhaal over de geschiedenis van de boog en de
schuttersgilden in Holland

Linksonder Overschie, linksboven Rotterdam en rechtsboven Delfshaven
(kaart uit 1500 - 1550)
Cees Ederveen 2011 Samenvatting
Voor Agnes
Inhoud van het volledige verhaal
1. Inleiding
2. Prehistorie
2.1 De trek naar de steppen van Azi‘ en Europa
2.2 De eerste boeren
2.3 De opkomst van steden
3. De oudste boog
3.1 De gebruikte boog typen
4. De ontwikkeling in Europa
4.1 Grieken en Romeinen
4.2 De opkomst van de Franken en de feodale staat
5. Nederland na de Romeinen
5.1 Van boeren en nomaden
5.2 De kerstening van de Friezen
5.3 Het oude, Friese Schoutenrecht
5.4 Landweer en heervaart
5.5 De grote ontginning en de opkomst van waterschappen
6. De opkomst van Holland en haar steden
6.1 Stadsrechten
6.2 Rol van de schutterijen in de steden
6.3 De opstand van de Vlaamse ambachtslieden en de Guldensporenslag
6.4 Van Hoeken en Kabeljauwen
6.5 De Beeldenstorm, de opstand en het breken met paus en keizer
6.6 Oranje versus de regenten van de vredespartij
7. Het einde van de Gouden Eeuw, revolutie of toch Oranje
7.1 De opkomst van de patriotten: De Bataafse Republiek
7.2 De schutterijen van het Koninkrijk der Nederlanden van 1815 tot 1907
8. Delft
8.1 Delft
in de Gouden Eeuw: steeds meer rijkdom voor minder mensen
8.2 Diletto ed Arme
8.3 De
oprichting van Frederik Hendrik
8.4 Frederik Hendrik met de buks
8.5 Frederik Hendrik met de boog
9 / 11 Den Haag, Utrecht en Groningen
1. Inleiding
Ik wilde meer weten over de geschiedenis van
de boog. Hoe oud is de boog? Stond deze vondst of andere nieuwe technologie aan
de basis van de verspreiding van de mensheid uit Afrika over de wereld? Welke
rol speelde de pijl en boog in de historische ontwikkeling? Ik schiet zelf met
pijl en boog bij de Delftse vereniging Frederik Hendrik en ik woon in Den Haag.
Bij de geschiedenis van handboogverenigingen uit deze steden ben ik begonnen.
Bij de zoektocht onder het motto ‘volg het spoor terug’ kom je al snel uit bij
de schuttersgilden in de steden. Je belandt bij de Hoekse en Kabeljauwse
twisten. Waar ging dat precies over en wat waren de belangen van de burgers en
de schutters uit de steden om een bepaalde kant te kiezen? Je komt bij de
ridders en de vraag, wie het voetvolk was, dat regelmatig doorslaggevende rol
op het slagveld speelde? Je merkt, dat de geschiedenis die elke zichzelf
respecterende stad laat opschrijven, de eigen rol ophemelt. Dat geldt nog
sterker voor landen en hun vorstenhuizen. De vaderlandse geschiedenis begint
bij Willem van Oranje en kijkt met een oranje gekleurde bril. Het begint niet
bij de grote ontginning en het eerste Hollandse gravenhuis duizend jaar geleden
of het ontstaan van de Hollandse steden 800 jaar geleden.
Voor het jaar 1100 was de naam Holland
onbekend. Er woonden Friezen in de ontginningsgebieden aan de kusten van
Jutland tot en met Vlaanderen. Wie waren zij en wat betekent dat? Mij lijkt het
wel leuk om Cananefaat te zijn, maar de stamboom, die mijn partner uitpluist,
stokt aan begin 17de eeuw. Via mijn oma van vaderskant blijkt het
geslacht van Brummelen af te stammen van Richard de Engelsman, zoon van John,
alderman van Bramall Hall die in 1644 de kerk van Ravenswaaij kwam verbouwen.
Bramall Hall in Engeland is de oorsprong van de naam van Brummelen volgens het
Meertens Instituut. Dit landgoed gaat terug op William the Conquerer die in
1066 de troon van Engeland veroverde en Bramall Hall inpikte van de
oorspronkelijke, Saksische eigenaren Hacun en Brun. Van Karel de Grote is zelfs
een stamboom op perkament bewaard, die via Jezus terug gaat naar Adam en Eva,
en God. Zo zie je maar dat niet alle stambomen kloppen!
Van de mannen in Nederland stamt 80% af van de
jager-verzamelaars, die 40.000 jaar geleden via de steppen uit centraal Eurazië
tijdens de ijstijd Europa binnentrokken. Aan het einde van de ijstijd, ongeveer
twaalfduizend jaar geleden, raakt ook het noorden van Europa bevolkt. Wij
stammen niet in meerderheid af van de boeren, die 7.000 jaar geleden uit het
zuidoosten Europa binnen trokken. Dit blijkt uit genetisch onderzoek op de Y
chromosoom, waarbij de vraag was hoeveel Nederlandse mannen van de boeren
afstammen die toen Europa binnenkwamen. Verdrijving is niet de drijvende kracht
in de geschiedenis, maar samenwerken, van elkaar leren, afkijken, overnemen en
vermengen.
Dit verhaal is opgebouwd van oud naar nieuw en
van groot naar klein. Via een kort verhaal over de hoofdlijnen van de
geschiedenis van de moderne mens en het gebruik van de boog in de wereld, naar
de steden in Holland, m.n. Delft en Den Haag in de laatste 1.000 jaar. Ter
vergelijking komt ook de geschiedenis van de steden Utrecht en Groningen aan
bod. Maar het verhaal is niet uitsluitend chronologisch opgebouwd. Ik bewandel
ook enige zijpaden, zoals de ontginning van het veen, het ontstaan van de
waterschappen en de Vlaamse Gulden Sporen Slag. Deze gebeurtenissen en het verhaal
van de stad en haar schutterij overlappen elkaar in tijd. Per onderwerp of stad
ontstaat zo een hopelijk leesbaar verhaal, dat ook apart kan worden gelezen.
Ik probeer de ontwikkelingen in de
geschiedenis te begrijpen en te plaatsen binnen de heersende
sociaal-economische omstandigheden. De geschiedenis der mensheid is er één van
vallen en opstaan. Als iets mislukte, werd iets anders geprobeerd. Nieuwe
succesvolle ontwikkelingen, zoals de landbouw of de boog, zijn overgenomen. Men
zocht samenwerking of vocht een conflict uit. Tegen een sterke vijand zijn
bondgenoten nodig. Maar soms wisselen bondgenoten van positie, of is een
tegenstander juist bereidt afspraken te maken. Dit is een dialectische en
evolutionaire zienswijze op de geschiedenis. These en anti-these leiden tot
synthese. In de evolutie gaat het om aanpassing, niet om het ideologisch
benadrukte recht van de sterkste. ‘Survival of the fittest’ is te beter
verstaan als wat beter past bij de omstandigheden. Samenwerking binnen de soort
(denk aan een kudde of een school vissen) kan overleving net zo goed bevorderen
als scherpe tanden en klauwen. Bij mensen nemen messen of zwaarden en speren of
pijlen de plaats in van deze scherpe tanden en klauwen.
Ondanks tegenslag is vooruitgang
[1]
geboekt in de geschiedenis der mensen, omdat er steeds weer een nieuw
evenwicht (synthese) werd bereikt. Op deze nieuwe situatie ontstaat weer een
reactie en zo verder. Wat niet betekent dat elke verandering ook een
verbetering is. Immers kan de ene verandering een tegenslag zijn en de andere
een verbetering. Of een tegenslag gezien vanuit de positie van de één, maar een
verbetering gezien vanuit de positie van de ander. Of het allemaal ergens toe
heeft geleid, wordt genuanceerd door het feit dat de jager-verzamelaar binnen
een paar uur in zijn eerste levensbehoefte kon voorzien
[2]
, terwijl we nu van 9 tot 5 op een kantoor zitten en een boer sinds het
begin van de landbouw zeven dagen per week in de weer moet zijn zo lang het
licht is.
Het verhaal is geschreven vanuit het
perspectief van het gebruik van de handboog. Het gaat mij vooral om de sociale
geschiedenis van gewone mensen en hun bogen, niet om de militaire tactiek of
dynastieke verwikkelingen. Toch dreigde de zoektocht hier uit de hand te lopen.
Ik moest achterhalen met welke ‘bril’ anderen de bronnen benaderen. Los van
identificatie van amateuristische fouten
[3]
is het de vraag of een verhandeling was gebaseerd op de zienswijze van
de overwinnaar. Of baseert de auteur zich uitsluitend op schriftelijke bronnen
die niet ver teruggaan en vaak ook de heersende elite verheerlijken, of worden
archeologische vondsten en klimatologische of economische omstandigheden in
aanmerking genomen. Soms is de ‘bril’ sterk Romeins of Frankisch gekleurd, of
heeft het betoog een zeer nationalistische, oranjegezinde, roomsgezinde of
andersgezinde toon.
De één zegt dat schutterijen zo oud zijn als
de stad, de ander wijst op de kerkelijke inzegening, die een eeuw later
plaatsvond. Wie heeft gelijk? Je kunt veel informatie vinden over de schuttersgilden
en ‘het rijke roomse verleden’ ten zuiden van de grote rivieren. Daarin wordt
vaak beschreven dat deze schutterijen rond 1579 werden verboden tijdens de
opstand tegen Spanje, bij de vrede van Munster in 1648 of anders tijdens de
Bataafse Republiek in 1796 bij de oprichting van de burgermacht. Het is waar
dat de rol van de roomse kerk bij het schuttersgilde uitgespeeld raakte, maar
niet dat de schutterij verdween. Naast de geuzen speelden de schutterijen uit
de steden een belangrijke rol tijdens Spaanse belegeringen. De mobilisatie
tijdens de opstand van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën valt onder
de verantwoordelijkheid van de calvinistische Staten. Tijdens de Bataafse
Republiek wordt de gewapende tak door het patriottische gemeentebestuur
overgenomen. Alleen schutters, die geen lid van deze burgermacht willen worden,
moeten de wapens inleveren. Na 1815, als Nederland een monarchie is geworden,
benoemt de koning de officieren en dooft in 1907 de vrijwillige schutterij uit.
Het beeld van een schutterij kan je baseren op
de trotse stadsbewoner, die bereid is zijn vrijheid en medeburgers te
verdedigen. Het vervullen van deze burgerplicht is een voorrecht, want het
maakt hem een vrij man
[4]
. De schutterij kan ook gezien worden als goed- dan wel kwaadwillende
verzameling militaristen. De goedwillende variant is mooi in de Engelse comedy
geschetst, waarin de plaatselijke bakker, kruidenier en dominee hun land tegen
de Duitsers willen verdedigen. Het Pruisische ideaal van een militaire staat komt
in een kwader daglicht te staan na de steun, die veel Duitse vrijcorpsen aan
Hitler gaven. Het oordeel moet afhangen van tijdsstip, omstandigheden en
intenties.
Samenvatting en slotbeschouwing
De geschiedenis van de moderne mens begint
ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika. Van de eerste 100.000 jaar is niet
veel bekend. Wij weten dat onze voorouders in groepen leefden als
jager-verzamelaars. Het voedsel werd door de groep gedeeld en kinderen, zieken
of zwakken genoten verzorging. Onze voorouders gebruikten al werktuigen,
waarvan de vuurstenen messen en punten het best bewaard zijn. Zij kenden
gereedschap, taal, hadden een grote herseninhoud en beheersten vuur. Het is
verleidelijk om de eerste moderne mensen of hun voorgangers als primitief en
meer gelijkend op apen voor te stellen. Echter lijken voorgangers, zoals
Neanderthalers, heel sterk op moderne mensen. Een Neanderthaler, gekleed
volgens de huidige mode, valt niet op in een drukke winkelstraat. Belangrijk
is, dat een grote herseninhoud, taal, gereedschap of beheersing van vuur ook
voor het bereiden van maaltijden, ons niet uniek maakt, zoals vaak gedacht. De
voorgangers van de moderne mens beschikten hier ook over. De eerste moderne
mensen zijn evenmin ‘primitiever’ dan wij. Alleen de levensomstandigheden waren
anders. Het zijn deze omstandigheden die de mens, staande op de schouders van
zijn voorgangers, heeft veranderd als heerser over de aarde.
De boog is zeer geschikt voor de jacht op de
steppen. De waarschijnlijk oudste pijlpunten stammen uit Zuid Afrika en zijn
64.000 jaar oud. De vondst valt midden in een periode met culturele en
technologische vernieuwingen; een creatieve periode met verbeteringen op het
gebied van werktuigen en gereedschappen, en het gebruik van kleurstoffen en
symbolische voorstellingen. De moderne mens draagt de boog bij zich naast de al
bekende speer, mes of bijl. Pijl en boog behoren tot zijn eerste eigen
vindingen. Echter zijn de recente vondsten in Zuid Afrika (nog) niet te
verbinden aan de trek uit Afrika. De gevonden vuurstenen punten worden meestal
aangeduid als projectielpunten. In het midden blijft of deze bedoeld waren voor
een pijl, speer of mes. Eerst dient opnieuw kritisch naar de gevonden
projectielpunten gekeken te worden om te zien of – nu de boog mogelijk al
bestond – deze niet voor de pijl bedoeld waren. Dan kan het gat misschien
gevuld worden tussen pijlpunten uit de grot in Zuid Afrika en de latere
vondsten buiten Afrika. Algemeen geaccepteerd is dat de boog twintig- tot
dertigduizend jaar geleden gebruikt werd op de steppes van Eurazië en daar
vandaan snel is verspreid over de wereld. Het is dus ook mogelijk, dat de boog
voor een tweede keer is uitgevonden.
Ongeveer 60.000 jaar geleden besluiten de
eerste mensen uit Afrika de wijde wereld in te trekken. Een deel bereikt 50.000
jaar geleden al Australië via de kust van het Arabisch schiereiland, India en
de – door een lage zeespiegel – onderling verbonden Indonesische
eilanden. Een ander deel trekt 40.000 jaar geleden tijdens de ijstijd de
steppen van centraal Eurazië binnen en bereikt in Europa het gebied rond de
Alpen. Tot slot trekken 17.000 jaar geleden mensen Amerika binnen via een route
langs het pakijs. Op de vlaktes waar de grote kuddes grazen, in de bossen of
langs oevers en kusten scharrelt de mensheid haar kost bij elkaar. Het leven
als jager-verzamelaar is niet idyllisch, kindersterfte was bijvoorbeeld hoog.
Toch hielden onze voorouders ook tijd over. Het vergaren van voldoende voedsel
koste per groepslid een paar uur per dag. Er bleef tijd over voor zaken die het
leven veraangenamen of verbeteren. De mens leefde in harmonie met de natuur en
de sociale verschillen waren gering.
Het vermogen tot samenwerking tussen groepen
is de motor achter de verspreiding van de mens over de wereld. Het feestmaal
bij het kampvuur met gezang en dans staat symbool voor deze samenwerking,
waarbij de laatste nieuwtjes worden uitgewisseld. Ervaringen worden gedeeld en
geschenken bevestigen de onderlinge relaties. Uit archeologische vondsten is af
te leiden, dat contacten over steeds grotere afstanden worden onderhouden.
Vuursteen, sieraden en kleurstoffen zijn afkomstig van de beste vindplaatsen en
raken over een steeds groter gebied verspreid. Samenwerking en het delen van
kennis – nieuwsgierig afkijken en nadoen – zijn de drijvende
kracht. Leren en samenwerken bevorderen het overleven net zo goed als scherpe
tanden en klauwen. Bij mensen nemen messen of zwaarden en speren of pijlen de
plaats in van deze scherpe tanden en klauwen.
Naast samenwerking is er ook tegenwerking. De
mens is in staat op grote schaal te moorden, zoals uit de geschiedenis blijkt.
Diefstal kan aanleiding vormen voor geweld. De nomadische jager-verzamelaars
kennen nog weinig bezit buiten de vaardigheden die noodzakelijk zijn om te
overleven. Deze vaardigheden, zoals het bewerken van vuursteen, het vlechten
van vezels of het maken van sieraden zijn beter te leren door afkijken en
nadoen of ruil, dan dat zij door geweld toe te eigenen zijn. Voor massale
gewelddaden is het gevoel onrechtvaardig behandeld te zijn een voorwaarde.
Conflicten of oorlogen eisen hun tol net als rampen en verslechterende
klimatologische omstandigheden. In een conflict over onrecht of aantasting van
de eer met de een, wordt een bondgenootschap met de ander gesmeed.
De bevolkingsdichtheid is eerst erg laag en de
wijde wereld nog groot. Hoewel de moderne mens soms als bedreigde diersoort op
de rand van de ondergang stond, groeit de mensheid de laatste 70.000 jaar
gestaag in aantal. Door hun gevarieerd menu passen mensen zich makkelijk aan
nieuwe omstandigheden aan. Om nieuwe kansen te benutten en nieuwe gebieden te
exploiteren moet kennis worden vergaard en overgedragen. Om te overleven op de
toendra tijdens de ijstijd worden huiden en vezels bewerkt en tot kleding en
schoeisel verwerkt. De kennis van strategieën om te overleven wordt gedeeld.
Het delen van kennis kan via nadoen plaatsvinden of via mondelinge overdracht.
De taal speelt een belangrijke rol bij de overdacht van generatie op generatie.
Voor de uitvinding van het schrift wordt kennis van bijvoorbeeld
geneeskrachtige kruiden op rijm gezet om het makkelijker te onthouden. Dit
gedicht is in het Sanskriet in India opgeschreven en bewaard gebleven. Deze
kruidenkennis heeft China via de zijderoute bereikt. ‘Song en dance’ bij het
kampvuur is een wezenlijk onderdeel van de menselijke geschiedenis.
Onze voorouders leefden het grootste deel van
de geschiedenis als nomadische jager-verzamelaars. Nog maar 13.000 jaar geleden
vindt een verandering in levenswijze plaats in een gebied rond het huidige Irak
en Turkije. De eerste boeren vestigen zich en gaan graan verbouwen en
veredelen, even later gevolgd in de vruchtbare stroomgebieden langs de Indus en
de Nijl, in zuid oost Azië en China (rijst) en ten slotte in zuid en midden Amerika
(maïs). Ook wordt vee gedomesticeerd: kippen (het eerst in zuidoost Azië),
geiten, schapen en ossen. De ossen trekken ook de kar. De eerste ruiters te
paard verschijnen 7300 jaar geleden. Door de landbouw veranderen de
betrekkingen tussen groepen en de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. De man
neemt in de landbouw de traditionele rol over van de vrouw als verzamelaar. Het
matriarchaat verliest het van het patriarchaat, zodat de zoon van het noeste
werk van zijn vader kan genieten. Voorheen speelde de moeder onder
jager-verzamelaars een grote rol getuige de 37.000 jaar oude
vruchtbaarheidsbeeldjes die in heel Eurazië zijn aangetroffen.
Met het verwijderen van bomen en stenen wordt
het land ontgonnen en ontstaat een nieuwe vorm van – niet meer draagbaar
– eigendom. De akkers zijn logischerwijs in handen van degenen die de
grond bewerken. In eerste instantie blijft de sociale gelijkheid nog in stand
tot het grootgrondbezit overal een rol gaat spelen. Dan nemen binnen de groep
de sociale tegenstellingen toe. Het eigendom van de grond betekent het bezit
van de productiemiddelen in een boerensamenleving. Een kleine elite van
grootgrondbezitters, die meestal aangeduid wordt als adel, grijpt de macht. De
ongelijkheid kan ontstaan doordat de één harder werkt dan de ander, slimmer is
of een beter stuk grond bezit, maar meestal is het een gevolg van list, bedrog
en geweld. Het recht van de sterkste beheerst het grootgrondbezit. In een
conflict over de grond kan de zwakste de sterkste niet ontlopen. Dat is het verschil
met draagbaar en relatief eenvoudig vervangbaar bezit (de speer, het mes en de
boog) of met in principe oneindig deelbare kennis.
De eerste boeren nederzettingen zijn klein,
een paar boerderijen bij elkaar. Onder gunstige omstandigheden kunnen deze
uitgroeien tot wel achtduizend inwoners, zoals opgravingen in Turkije leren.
Daar is de boog nog steeds in gebruik voor de jacht, maar in toenemende mate
ook voor de verdediging van de bezittingen. De nieuwe leefwijze creëert nieuwe
behoeften, waaronder maalstenen, draaitafels en het wiel. Er volgt een nieuwe
revolutie in het gebruik van materialen. Waar eerst hout of steen werd bewerkt,
worden nu nieuwe vormen uit aardewerk gekneed, het eerst in China en Japan.
Modder en klei zijn ook geschikt om huizen te bouwen. Het bewerken van koper
volgt ongeveer zevenduizend jaar geleden, het brons vijfduizend jaar en het
ijzer ruim drieduizend jaar geleden.
Op kruispunten van handelsroutes komen
ongeveer vijfduizend jaar geleden de eerste steden tot ontwikkeling. Burgers
van steden kenmerken zich doordat zij niet meer dagelijks betrokken zijn bij
het verzamelen of produceren van voedsel. De landbouw voedt de steden. Vaak is
irrigatie nodig om de landbouwproductie op gang te houden, waardoor een
krachtig bestuur zich kan ontwikkelen. Administratie en bestuur zijn ook nodig
voor het beheer van eigendommen. Het schrift wordt ontwikkeld voor het
bijhouden van de voorraden in de graanschuren. Rekenvaardigheid en de
wetenschap in het algemeen krijgt een impuls. De eerste literatuur verschijnt
en indrukwekkende tempels verrijzen. De stad wordt het machtscentrum met een
religieuze en bestuurlijke elite. De eerste steden vormen samen de bronnen van
beschaving. Er ontstaan nieuwe verhoudingen tussen drie groepen mensen:
- De stedeling die handel drijft of zich
specialiseert in een ambacht, die kan rekenen en schrijven, en de wetenschap
bedrijft: de stad belichaamt (religieuze) bestuursmacht, maar is aangewezen op
de boeren voor hun voedsel en op de nomaden voor de handelsroutes,
- De boer die verdienen kan aan het leveren
van voedsel voor de stedeling en in de stad bescherming kan zoeken tegen
aanvallen door ruiters uit de steppe,
- De steppe nomade die bedreven is in het
hanteren van wapens en te paard (kameel) grote afstanden kan overbruggen;
handig voor de handel en als bondgenoot in de strijd, maar als vijand dodelijk
voor handel, boer en stedeling.
De vooruitgang in kennis en de ontwikkeling
van beschaving heeft een keerzijde: grootgrondbezit en de ontwikkeling van een
erfelijke elite maakt het risico op een vijandelijke overname groter. Moord op
of onderwerping van een elite met een sterke groep krijgers is eenvoudig en de
vruchten zijn groot. Bij de eerste machtsovername kan het verzet nog bogen op
een nauwe band tussen boeren, burgers en adel. Maar als vreemden eenmaal de
macht hebben overgenomen of een tiranniek bewind heerst, neemt die steun af. De
stadsburger staat voor een dilemma. Zelf de wapens opnemen, betekent risico
nemen. De boeren bewapenen is mogelijk, maar keert zich tegen de stedeling bij
onderlinge conflicten. Ook is het mogelijk gewapende ruiters van de steppe in
te huren. Maar wat als deze gewapende strijders de macht binnen de stadsmuren
overnemen? De stedeling zal zelf voor zijn verdediging en vrijheid moeten
zorgen. De wapens voor de jacht, de speer en de boog, worden ingezet in de
strijd. Minder bedreven te paard dan de ruiters van de steppe, gebruikt de
stedeling een lichte en snelle strijdwagen. Deze strijdwagen met boogschutter
domineert het strijdtoneel tot 3.200 jaar geleden de ijzertijd met het zwaard
zijn intrede doet. Het zwaard maakt korte metten met lichte strijdwagens.
De strijd tussen stadsstaten leidt tot
staatsvorming en de opkomst van de eerste grote beschavingen in het nabije
oosten. Koninkrijken ontstaan en worden bedreigd door buren. De onderlinge
strijd en het afweren van rooftochten zullen de komende tijd het toneel
beheersen en de geschiedenis vorm geven. Doordat de nomade te paard als
bondgenoot wordt ingeschakeld of tijdens rooftochten de truc van een
machtsovername afkijkt, is het niet per definitie de oorspronkelijke, adellijke
grootgrondbezitter die wint. De Romeinen bijvoorbeeld krijgen het te stellen
met opstandige bondgenoten als de Goten en Vandalen, maar uiteindelijk zullen
de Franken gesteund door de rooms-katholieke ideologie aan het langste eind
trekken. Op hun beurt krijgen de Franken te maken met Noormannen die Normandië
bezetten en daarvandaan de macht in Engeland overnemen.
Ruim vijfduizend jaar geleden – ten tijde
van de opkomst van de eerste steden in het land tussen de Eufraat en de Tigris
– wordt in de Alpen Ötzi, de ijsmummie, gedood door een pijl. In Europa
heeft de kennis van de landbouw zijn intrede gedaan. De boeren vestigen zich op
geschikte, vruchtbare gronden, zoals de valleien rond de Alpen, de Maas, of
Salisbury Plain in Engeland. Op deze plaatsen zal een sterke elite van
grootgrondbezitters ontstaan. Ook hier ziet de boer de grond als zijn eigendom,
omdat het harde werk is verricht met het oog op het plukken van de vruchten.
Bovendien is het bezit van zijn grond een levensvoorwaarde. Indien hij wordt
verdreven door een sterkere vijand, zit hij niet alleen vandaag zonder eten,
maar ook morgen. Wanneer een adellijke elite zijn grond en arbeid claimt, ontstaan
nieuwe, antagonistische verhoudingen. Zodra een volgende, sterkere vijand de
positie van de elite bedreigt is de steun van de boeren niet bij voorbaat een
gegeven. Uit hun graven blijkt dat zij de boog nog kennen. Bij de grafgiften
wordt meestal een mes of bijl en pijl en boog op deze laatste reis meegegeven.
Soms is een boog bewaard gebleven, zoals bij Ötzi de ijsmummie of wordt een
exemplaar in het moeras gevonden. Eén van de bewaard gebleven bogen is gevonden
in het zand bij het winterkamp van Trijntje.
Van deze bogen zijn reconstructies gemaakt om
de eigenschappen van de boog te bepalen. De bogen van 5 tot 10 duizend jaar oud
hebben een trekgewicht van 70 tot 100 Engelse ponden. Dat is een respectabel
trekgewicht, twee keer zo zwaar als de huidige bogen in gebruik bij de
sporters. Een zware boog biedt een schutter voordelen: het bereik is groter en
op verschillende afstanden is het hoogte- verschil door de ballistische baan
van de pijl beperkt. Bovendien vliegt de pijl sneller, heeft daardoor minder
last van de wind en neemt de inslagenergie toe, waardoor de pijl dodelijker is.
De jager-verzamelaars droegen al duizenden
jaren een mes of bijl en een speer of boog bij zich. De groepen, die ten
noorden van de vruchtbare landbouwgronden verblijven, leven nog in belangrijke
mate van de jacht ook al kennen zij gedomesticeerd vee. Deze nomadische jagers
kennen van generatie op generatie overgedragen vaardigheden om te overleven en
persoonlijke bezittingen: draagbaar en in principe deelbaar, dat is een belangrijk
verschil met het grondbezit. Er wordt een groot belang gehecht aan gastvrijheid
en aan het respect voor een dappere krijger. Het eerste is gunstig voor de
handel en zelfs een voorwaarde, het laatste leidt tot regelmatige rooftochten.
Na plundering kunnen de krijgers zich terugtrekken, maar zij kunnen ook
blijven. Dat komt vaker voor wanneer zij als bondgenoot zijn ingeschakeld. Een
bondgenootschap leidt meestal tot machtsovername. Slachtoffers zoeken nieuwe
bondgenoten om zich te beschermen en zo herhaald zich de cyclus, van
samenwerking, tegenwerking en nieuwe samenwerking. Het spel van samen- en
tegenwerking krijgt door de ontwikkeling van het grootgrondbezit en de vorming
van stedelijke elites een nieuwe dimensie.
De lage landen, waartoe Holland behoort,
vormen na de ijstijd de rivierendelta waarin Rijn, Maas en Schelde uitmonden.
De rivier gaf en de zee nam. Stormvloeden veroorzaken overstromingen, waardoor
kreken ontstaan die weer verzanden en rivieren voeren klei aan, waarschijnlijk
versnelt door menselijke invloed bovenstrooms. Daar zijn bomen omgehakt of
verbrand om plaats te maken voor akkers en de grond erodeert. Het gebied, dat
we nu Nederland noemen, wordt twee- tot achtduizend jaar geleden sporadisch
bewoond en is waterrijk. Eén van de oudste hier gevonden skeletten is van
Trijntje, gevonden onder de Betuwelijn, die daar ruim zevenduizend jaar geleden
haar winterkamp had. Sporen van landbouw vinden we vooral in Limburg, als
uitloper van de vruchtbare lössgebieden waar de Belgische Galliërs zich
vestigen en op karige zandgronden van Twente en de Achterhoek. Het oosten van
het huidige Nederland wordt samen met de aangrenzende Duitse gebieden door
Germaanse stammen bewoond. In het kustgebied van de lage landen gaan vissers
zich specialiseren als schippers voor het vervoer op de grote rivieren en rond
de Noord- en Oostzee. Zij zijn de handeldrijvende nomaden, die een bestaan
opbouwen naast de boeren, gevestigd op de vruchtbare gronden.
Rond het begin van de jaartelling verschijnen
de Romeinen in de lage landen. Zij zijn geïnteresseerd in grondstoffen als tin
en in de vruchtbare landbouwgebieden die als graanschuur voor het Romeinse rijk
en het leger kunnen functioneren. Het grondbezit claimen en de plaatselijke
elite vermoorden of onderwerpen, gaat de Romeinen makkelijker af, dan de
onderwerping van – beweeglijkere – Germaanse stammen in de bossen
aan de andere kant van de Rijn. De Belgen in de vruchtbare Maasvallei bieden
nog de meeste weerstand, mogelijk omdat boeren en elite zich nog nauw verwant
voelen. Hun verzet leidt tot een slachting en hun uiteindelijk verlies. De
Romeinen, die de lage landen tot de Rijn bezetten in de eerste eeuwen rond het
begin van de jaartelling, trekken zich rond het jaar 270 terug achter de weg
tussen Keulen en Brussel (eigenlijk Boulogne). De Rijndelta wordt te nat gevonden en de inwoners te
opstandig. Eind 5de eeuw trekken de Romeinen zich terug achter de
Alpen en laten in Europa een machtsvacuüm na.
De periode na de val van het Romeinse rijk
wordt vaak duister genoemd en staat bekend om de ‘volksverhuizingen’. Maar niet
altijd verhuisd het hele volk, het is zelfs de vraag of zij zichzelf als aparte
volkeren of juist als verwanten zagen. Bovendien is mobiliteit geen nieuw
verschijnsel, maar onderdeel van de nomadische traditie. Het zijn vooral de
krijgers van de Franken die achter de Romeinen aan naar België en Frankrijk
trekken om daar te leven als een ‘heer in Frankrijk’. Zij zien – net als
de ruiters van de steppe in het oosten – de vruchtbare gronden en de rijke
steden als een aantrekkelijk doel van hun rooftocht. Zij nemen de positie over
van de Romeinse elite en verdrijven de Goten uit Frankrijk die eerder op drift
raakten. De Franken proberen de levensstijl van de vertrokken Romeinen te
imiteren. Met hulp van de roomse religieuze ideologie en gebaseerd op Romeins
eigendomsrecht vestigen de Franken een feodale samenleving. Hun koning of
keizer belichaamt met de zegen van de roomse paus gods gezag op aarde en is
eigenaar van alle grond. De wet beschermt deze eigendomsclaim. Boeren zijn
horig, horen bij de grond en moeten werken voor de vorst of één van zijn
leenmannen: de bewapende hertogen, graven, bisschoppen en hun ridders. De
eigendomsclaim – het van god aan de keizer gegeven bezit – wordt gelegitimeerd
met de krachtige roomse religieuze ideologie.
In de eeuwen na het vertrek van de Romeinen
gebeurt er weinig in de Hollandse en Friese kustgebieden, waarschijnlijk omdat
het gebied nauwelijks wordt bewoond. De achtergebleven bewoners houden schapen
en zijn bekwame vissers en schippers. Zij kennen de boog en worden tot de
kerstening begraven met hun bezittingen: een boog met pijlen, bijl of zwaard en
een drinkbeker voor het bier. Schriftelijke bronnen ontbreken en informatie
komt via de Franken die wel bronnen nalaten en van archeologische vondsten. De
archeologische vondsten bevestigen het beeld, dat met de Romeinen ook de handel
rond de forten is verdwenen en boerendorpen zijn verlaten of slechts een enkele
woonstal boerderij achterblijft. Op de grens van het door Friezen en Franken
betwiste gebied komt een handelsstad op die bekend staat als Dorestad. Door de
Franken worden de bewoners van Friesland, Holland en Vlaanderen Friezen
genoemd. Er is wel geschreven over de aanwezigheid van adel, maar dat kan ook komen,
omdat in schaarse bronnen de plaatselijke voorlieden uit beleefdheid als
‘graaf’ of zelfs ‘hertog’ worden aangeduid. Alsgisl, wiens naam overdrachtelijk
als hoofdaanvoerder is te verstaan, is een belangrijke leider uit de 9de eeuw. De naam Fries komt gelijk te staan aan handelaar. Barbaren zijn het in de
ogen van de Franken, want zij gaan nog blootsvoets en eren Wodan. Er is een
tekening van Friese krijgers uit deze tijd bewaard gebleven. Naast blote voeten
valt de hanenkam en lichaamsbeschildering op. Zij hebben een speer bij zich met
een dwarsbalkje of een driepoot. Dat is handig bij het slootje springen. Zij
lijken door de hanenkam en met blote voeten een beetje op de Mohikanen, die de
Hollandse kolonisten in de 17de eeuw aan de andere kant van de Atlantische
Oceaan bij Nieuw Amsterdam (New York) zullen ontmoeten.
Ik neem de naamgeving voor de inwoners over,
maar niet vanwege afstamming of een veronderstelde etnische identiteit. Wij
weten immers niet hoe zij zich zelf zagen. Het kunnen ook Angelen, Saksen of
anderen zijn geweest, die hier een bestaan als handelaar, visser of
schaapherder wilden opbouwen. Etniciteit is geen biologisch maar psychologisch
begrip: los van afstamming zet een groep zich af tegen ‘anderen’ om zo de eigen
identiteit te benadrukken. Onder gemanipuleerde omstandigheden kan dit zowel
aanleiding als voorwaarde zijn voor het gebruik van massaal geweld. Tegen een
eenduidige etniciteit pleiten economische en logische, rekenkundige redenen.
Mensen trekken naar de woeste gronden van de lage landen om als pioniers een
bestaan op te bouwen en vervolgens van het platteland naar de stad. De
economische ontwikkeling trekt nieuwe inwoners aan. Dat gaat al vele eeuwen zo.
De bevolkingsgroei in Holland was groter dan het geboorteoverschot. Bovendien
zijn wij rekenkundig allemaal familie van elkaar. Het aantal voorouders
verdubbelt zich elke generatie. Daardoor stijgt het aantal explosief en bereikt
na 60 generaties een getal met 12 nullen.
In de 9de eeuw voeren Vikingen hun
rooftochten uit en benoemt de Frankische keizer een Deense Viking als leenheer
voor de Friese kuststreken in de hoop op rust. Die rust blijft uit en de
regerende Deense vazal wordt in een hinderlaag gelokt en vermoord. Een lokale
krijgsheer, die hierbij behulpzaam is, wordt als dank benoemd als nieuwe graaf.
Holland lijkt dan nog sterk op de Waddenzee: een beetje droog bij laag water en
nat bij hoog water. Na het vertrek van de Romeinen was Holland woest en leeg
tot de ontginners de eerste sloten graven en een coalitie met de nieuwe
‘Hollandse’ graaf sluiten. Na de ontginningen van veen en drooglegging van
moerassen in de 10de eeuw neemt de bevolking toe. Het gebied wordt
steeds intensiever bewoond door pioniers. De ontginners mogen zich als vrije
boer vestigen wat uniek is in het feodale Europa. Het eerste gravenhuis voert
een onafhankelijkheidspolitiek op grond van gemeenschappelijke belangen. De
boeren eigen grond, de burgers de vrijheid in de steden en het graafschap
inwoners en inkomsten. Deze coalitie van boeren en burgers met de graaf verzet
zich tegen pogingen van de keizer het gebied te heroveren en zijn op
onafhankelijkheid gericht. De vrije boeren en burgers in Holland kiezen uit
welbegrepen eigenbelang voor een eigen graaf in opvolgingskwesties en bij
dreigende ‘buitenlandse’ inmenging. Het graafschap en het later zo machtige
gewest Holland komt op na de overwinning op het keizerlijk leger in de slag bij
Vlaardingen uit 1018. Het wordt voor het eerst als ‘Hollant’ aangeduid in 1101
bij het sluiten van de vrede in Utrecht met de bisschoppelijke vazallen van de
keizer.
In het openbaar bestuur benoemt de Hollandse
graaf zijn vertegenwoordigers: de baljuw in de polder en de schout in de stad.
Zij spreken recht, regelen de mobilisatie van de schutters en de andere staatszaken
namens de landheer. De boeren richten de waterschappen op om samen voor de
afwatering te zorgen en dijken aan te leggen, en te onderhouden. De
ambachtslieden in de steden richten hun gilden op. De deelnemers in deze
samenwerkingsverbanden regelen hun eigen zaken en bestuur. Tevens doen zij een
voordracht voor de aanstelling van leden voor de Raad die overlegt met baljuw
of de schout. Al snel blijft voor de baljuw of schout slechts de rechtspraak
over en is de rest een kwestie van goed overleg. In de standenmaatschappij
krijgt de derde stand van boeren en ambachtslieden een stem in Holland, die
steeds belangrijker wordt. Op basis van het zelfstandige bestuur van waterschappen
en steden dwingen zij ook een stem af in de grafelijke raad. Elke keer dat de graaf
meer geld of meer schutters nodig heeft, vindt een ruil plaats. De steden meer
privileges en de graaf het zijne. De grafelijke raad – de overlegtafel in
de polder – is de voorloper van de Staten, die uiteindelijk tegen de
Spaanse overheersing een zelfstandige republiek zal uitroepen. De boeren,
schippers en burgers van de steden spelen een doorslaggevende rol in het
ontstaan van een zelfstandige handelsnatie.
De vrije boeren creëren als ontginners het
typisch Hollandse landschap met lange, smalle percelen tussen de sloten.
Landafslag door stormvloeden, inklinking en de overgang van akkerbouw naar
minder arbeidsintensieve veeteelt brengt de verstedelijking in Holland op gang.
De meeste Hollandse steden ontstaan ongeveer achthonderd jaar geleden. Steden
bloeien op nabij het hof van de graaf (Delft, Leiden, Haarlem en in zekere zin
Den Haag) of bij handelsplaatsen (Dordrecht, Brielle en later Rotterdam en
Amsterdam). De uitvoering van waterstaatkundige werken en het verlenen van
stadsrechten stimuleren de handel. Er is in korte tijd een ruimtelijke en
staatkundige infra-structuur in Holland ontstaan. De belangrijkste vaarroute
voor handelsschepen ‘achter de duinen’ voert langs deze Hollandse steden. In
alle steden worden schutterijen opgericht, meestal vernoemt naar Sint Joris met
de kruisboog en het zwaard, of Sint Sebastiaan met een handboog en piek. De
schutters moeten voor de eigen uitrusting zorgen en zwaard en kruisboog zijn
duurder in aanschaf. Sint Joris is daarom het rijkste gilde en de boog is voor
de gewone burgers: de ambachtslieden. De schutterijen behoeden de stad en haar
burgers tegen rampen als brand, diefstal of invallen.
In Vlaanderen hebben regenten of patriciërs
het voor het zeggen in de – eerder ontstane en economisch verder
ontwikkelde – steden tot de belangenstrijd tussen Franse vorst,
plaatselijke graaf, regenten en ambachtslui op een overwinning van de Franse
vorst uitloopt. In Holland bestaat een meer duurzame coalitie tussen
plaatselijke graaf en vrije boeren en burgers. Toch is de opstand van de
Belgische ambachtsgilden tegen de regenten ook voor Nederland van belang: zij
exporteren hun opstand na de Guldensporenslag naar Utrecht en indirect ook
Groningen, steden die onder de bisschop vielen in het Sticht. Ook in Utrecht
(1304, stad van de burgers) en Groningen (1350) krijgen de gilden een
belangrijke stem in het stadsbestuur. Van de 14de tot in de 16de eeuw behouden boeren en burgers hun stem. Via hun organisaties hebben zij invloed op het bestuur: de
overlegtafel waar gelijkwaardige partijen tot een compromis moeten komen. In
1351 keren de Hollandse Staten na een opvolgings-kwestie de rug toe naar de
Duitse vorst en verklaren niets met hem te maken te hebben en hem niets
schuldig te zijn. En in 1581 keert Nederland de rug toe naar de Spaanse, devoot
roomse, koning.
In de jaren tussen 1351 en 1581 lopen de
Hoekse en Kabeljauwse twisten uit op een burgeroorlog. Het streven naar
gewestelijke onafhankelijkheid is niet meer vol te houden na de 100 jarige
oorlog, die in Europa de rol van lagere adel uitschakelt en leidt tot invoering
van de absolute monarchie. Een klein gewest is een makkelijke prooi voor de
grote vorstenhuizen uit de omgeving. Het Nederlandse antwoord wordt tijdens de
opstand tegen Spanje gevonden in de Republiek. De Staten roepen onder leiding
van het Hollandse gewest de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën uit. Het
is een decentrale eenheidsstaat, die onder aansporing van de humanisten stevig
wordt geworteld in de – nieuw – gekozen voorouders: de Batavieren.
Deze Batavieren hadden, evenals de Cananefaten en de Friezen, een sterke afkeer
van centraal gezag.
Bij de opstand tegen Spanje is de boog
vervangen door het vuurwapen. Het leger en de stadsschutterijen worden
uitgerust met geweren en oefenen met het kanon. De verdediging tegen de Spaanse
bezetter wordt logischerwijs gecentraliseerd onder de stadhouder. De strijd om
onafhankelijkheid luidt een periode van economische bloei in, waarin regenten
en rijke kooplieden het voor het vertellen krijgen in de stadsbesturen en de
Staten. De regenten worden weer via coöptatie voor het leven benoemd in de
besturen; zij streven een eigen dynastie na met erfelijke opvolging. De rijken
gaan zich steeds meer aristocratisch gedragen en de afstand tussen burgers en
bestuur neemt toe. Het is een gevolg van het opkomende handelskapitalisme en
van bedrijfsconcentraties in de Gouden Eeuw, waardoor enkelen steeds rijker
worden, maar de meeste ambachtslieden hun nering verliezen en aangewezen zijn
op loonarbeid. De ambachtslieden en hun gilden verliezen hun invloed aan de
opkomende oligarchie van regenten. De dienstplicht voor alle weerbare mannen is
per stad in vaandels georganiseerd. De overgebleven schuttersgilden beperken de
toegang tot nieuwe, vermogende leden van aanzienlijke families. Het
middeleeuwse evenwicht in de schutterijen met een rijke tak met de kruisboog
van de adel en de ‘nouveau riche’, de rijke kooplieden, en de gewone
ambachtsman met de handboog is verdwenen. Het nastreven van gemeenschappelijke
belangen, verbonden met de eenheidsgedachte, gaf iedere stand een stem. Daarvan
is inmiddels geen sprake meer.
De Gouden Eeuw breekt door en uiteindelijk
moet Spanje de Republiek erkennen. De Gouden Eeuw is met de VOC een goede tijd
voor de kooplieden en regenten in Holland, maar niet voor de ambachtslieden en
boeren, die niet alleen hun invloed verloren, maar vaak ook hun nering en er
als dagloner in besteedbaar inkomen op achteruit gingen. En al helemaal niet
voor de Oost- en West-Indische ‘handelspartners’ die bestolen werden, of de
slaven uit Afrika die op de plantages in Amerika moesten werken. De Engelse rol
op de wereldzeeën wordt – gesteund door hun industriële revolutie –
steeds groter en voor de Republiek slaat de economische malaise in de 18de eeuw toe. De calvinistische republiek van de eerlijke koopman en de
ontdekkingsreiziger vervalt tot een republiek van rentenierende regenten. Als
uiteindelijk de vrede van Utrecht in 1713 wordt getekend, is de Republiek geen
wereldleider meer.
Nog eenmaal spelen de schutters in de steden
een belangrijke rol als patriotten ten tijde van de Franse revolutie. De
patriotten zijn voorstanders van de idealen van de verlichting en de revolutie:
vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zij steunen de Amerikaanse
onafhankelijkheidsoorlog en streven naar een soevereine natie van het volk,
bestaande uit vrije mensen die hun eigen vertegenwoordigers in een parlement
kiezen. De wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht dienen gescheiden te
worden. Veel leden van de stedelijke schutterij worden ook lid van een
patriottisch korps. De schutters leren exerceren en roeren luid de trom. Hun
idealen lopen echter stuk op de machtspolitiek van Napoleon die zichzelf al
snel tot keizer benoemd. Napoleon wordt verslagen bij Waterloo en de Fransen
verdwijnen uit Nederland. Als alternatief zoekt Nederland naarstig een eigen
koning.
Het Koninkrijk der Nederlanden is een recente
uitvinding en samen met België en Luxemburg in 1815 opgericht. In 1830 scheiden
de Belgen zich weer af en zo ontstaat Nederland, zoals wij het nu kennen. Voor
die tijd was Nederland een Republiek van Verenigde Provinciën. In feite één van
de eerste republikeinse oprispingen sinds de Romeinse senaat die het ook steeds
aan de stok kreeg met een ‘caesar’ en diens dynastieke trekken. De Republiek
komt voort uit de opstand tegen Spanje na de afscheiding door de Hollandse
Staten in 1572. Voor het Koninkrijk tot stand komt, bestaat Nederland uit
graafschappen, die in hun uiteindelijke vorm aardig met de provincies
overeenkomen. Alleen Holland is opgesplitst in Noord en Zuid, zodat de koning
het eens zo machtige gewest beter onder de duim kan houden.
Ook na de Franse tijd blijven de stedelijke
schutterijen in het Koninkrijk bestaan tot de landelijke dienstplicht wordt
ingevoerd en in 1907 de laatste reservisten zijn uitgediend. De stad verliest
haar taak dienstplichtigen te rekruteren en de schutterij te onderhouden.
Tradities zoals het koningschieten met pijl en boog worden hier en daar in ere
gehouden. In 1850 nodigt de koning organisaties van handboogschutters uit voor
een concours en stelt twee jaar later zilveren medailles beschikbaar voor de
hoogste score over 32 pijlen. 159 handboogverenigingen verzoeken om een
medaille. Het vorderen van de geweren voor de mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog
is ook een reden om de boog weer op te pakken, zoals gebeurde bij Frederik
Hendrik in Delft. De jaarlijkse traditie van het koningschieten wordt in Delft
voortgezet en is daar voor het eerst in 1379 in schriftelijke bronnen vermeld.
De lijst met koningen uit Delft is sinds 1636 bewaard gebleven.
De schutterijen hebben de vrijheid en
onafhankelijkheid van de stad in allerlei conflicten verdedigd. Samen met de
gilden voeren zij een politiek gericht op vrijheid, zelfstandigheid en het
verkrijgen van een stem in het bestuur. De schutterijen worden beloond met
statige verenigingsgebouwen, de doelen, die in elke stad eind 16de,
begin 17de eeuw worden gebouwd. Het zijn imposante gebouwen, die een
voorname plek in de stad kregen. Delft is er in 1563 vroeg bij dankzij de
aanwezige wapenindustrie. Den Haag volgt later bij de wederopbouw in 1636, waar
de Sint Sebastiaan Doelen uitkijken op de Hofvijver en kunnen concurreren met
het Mauritshuis. Sint Joris, verbonden aan het hof, had een kleiner gebouw uit 1625
op een plek achter de Sint Sebastiaan doelen. Er was dus aanleiding om de
schutterij van de burgers te belonen. Halverwege deze 17de, Gouden
Eeuw zet het proces van aristocratisering door en wordt de toegang tot
bestuurlijke en openbare functies beperkt tot de kring van vermogende en
aanzienlijke families.
In de geschiedenis van de
Hollandse steden is de strijd zichtbaar over de vraag wie het over de
schutterijen voor het zeggen heeft. Duizend jaar geleden is de schout namens de
graaf verantwoordelijk voor de mobilisatie van de schutters, de
rechtshandhaving en de belastingen. Al snel regelen de gilden hun eigen zaken
en groeit hun invloed in het gemeentebestuur. Vanaf 1300 bloeit de
gildendemocratie. Maar in de 17de eeuw – de Gouden Eeuw van de
VOC mentaliteit – krijgen de rijke kooplieden het voor het zeggen in de
gemeentebesturen. De regenten van het gemeentebestuur gaan zich steeds meer
aristocratisch gedragen (benoemingen voor het leven, bevoordelen van eigen
kinderen). Zij laten buitenhuizen bouwen en verbouwen hun grachtenpanden tot
paleizen, waar geen plaats meer is voor de hier oorspronkelijk uitgevoerde
ambachts- of handelspraktijken. De burgerij komt in opstand en eist haar oude
bevoegdheden terug. Einde 18de eeuw komen de patriotten op voor de
Bataafse Republiek, waarvoor vele schutters kiezen als waren zij de nieuwe
geuzen. De machtspolitiek van Napoleon helpt deze opstand geïnspireerd door de
idealen van de verlichting om zeep, maar de Franse tijd brengt wel staatkundige
verandering en vernieuwing van het recht. Na de Bataafse Republiek en deze
Franse tijd wordt Nederland een koninkrijk en benoemt de koning voortaan de
officieren.
De schutterij was gebaseerd op de trotse
stadsbewoner die bereid is zijn vrijheid en medeburgers te verdedigen. Het
vervullen van deze burgerplicht is hem een voorrecht, want het maakt hem een
vrij man. De schutterij kan ook gezien worden als goed- dan wel kwaadwillende
verzameling militaristen. Het oordeel moet afhangen van tijdsstip,
omstandigheden en intenties. Bedenk, wanneer u in een stad door de
Doelenstraat, of langs het Schuttersveld loopt, u over historische grond gaat.
Waar schutters oefenden die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het
vestigen en verdedigen van onze vrijheid. Een geschiedenis zo oud als de stad
met burgers in de hoofdrol die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het
bereiken van onze onafhankelijkheid. De eens zo trotse stadschutterijen van
ambachtslieden komen in de loop van de 17de eeuw onder bestuur van
rentenierende regenten of de stadhouder. Na de invoering van de monarchie begin
19de eeuw vallen de officieren rechtstreeks onder de Koning en is
het leger zijn speeltje. Naast de officiële schutterij ontstaat van een waaier
aan verenigingen. Deze – vaak op politieke gronden – gevormde
verenigingen uit het eind van de 18de en de 19de eeuw
besturen zichzelf weer. In een aantal gevallen zijn deze verenigingen als
sportvereniging voortgezet. De meeste zijn echter weer verdwenen. De boog is
weer speelgoed, wat het voor kinderen van de jager-verzamelaars waarschijnlijk
al was. De vaardigheid om met pijl en boog om te gaan werd spelenderwijs eigen
gemaakt. Vele millennia was de boog heel algemeen en heel gewoon.
Zo
gewoon
In de titel ‘Gewone mensen en hun bogen’ heb
ik om twee redenen gekozen voor het woord ‘gewoon’. Ten eerste ben ik
geïnteresseerd in de sociale geschiedenis en minder in de dynastieke
verwikkelingen van de adel. Ten tweede is de boog heel gewoon net als de speer
en het mes of de bijl die onze voorouders meestal bij zich droegen. Zo gewoon
dat de boog niet opvalt. De boog heeft ook niet de status, die de koperen bijl,
het ijzeren zwaard of het vuurwapen wel zullen krijgen. Ötzi de ijsmummie droeg
5.300 jaar geleden naast zijn boog al een opvallende, koperen bijl bij zich. De
boog heeft geen glans en is vooral van gewone mensen. Rijke Friezen moeten
volgens het oude gewoonterecht over schild, zwaard en paarden beschikken voor
de verdediging, Friezen zonder bezit over de boog. Het hof in Den Haag levert
de schutters voor het rijke gilde van Sint Joris met de kostbare kruisboog en
het dure zwaard. Zij vinden de gewone boog van de piekeniers uit het dorpse
zustergilde maar boers. En wanneer de Indianen geweren buit maken op
Amerikaanse soldaten ten tijde van de burgeroorlog, gaan deze naar de oudste,
meest gerespecteerde krijgers. De jonge krijgers moeten het doen met de –
overigens veel effectievere – pijl en boog. Op de boog wordt en werd
neergekeken.
Er zijn veel redenen waarom de boog zo
onzichtbaar is in de geschiedenis. Het hout is vergaan of de boog is opgestookt
in het kampvuur. Alleen vuurstenen pijlpunten blijven over, waarvan er vele
zijn gevonden, onder meer als grafgift. De boog is bij uitstek geschikt voor de
jacht. 30.000, waarschijnlijk al 64.000 jaar geleden, is de boog een belangrijk
instrument voor de jagers. Deze ruime marge, die ik liever zou vermijden, is
nodig vanwege het gat tussen de vondst van de 64.000 jaar oude pijlpunten in
Zuid-Afrika en de pijlpunten vanaf ca. 30.000 jaar geleden overal opduiken.
Vuurstenen punten uit de tussenliggende periode worden aangeduid als
projectielpunten, zodat het precieze gebruik in het midden blijft. Indien het
gat alsnog wordt gevuld, is het bewijs geleverd, dat de mens bij zijn tocht uit
Afrika de boog bij zich heeft. Een dergelijke innovatie past bij de creatieve
periode uit die tijd en kan een verklaring zijn voor de bevolkingsgroei en
expansie die daar op volgt. Het is ook mogelijk, dat de boog voor een tweede
keer is uitgevonden in centraal Eurazië.
Wanneer de landbouw 13.000 jaar geleden zijn
intrede doet, neemt het belang van de boog en de jacht voor de
voedselvoorziening af. De boog wordt belangrijker bij de verdediging van
bezittingen. Dit proces verloopt
geleidelijk. De eerste boeren verbouwen graan, houden vee en vullen het menu
aan met de jacht. Ook als de boerennederzettingen 8.000 jaar geleden groter
worden, zoals uit opgravingen in Turkije blijkt, speelt de jacht nog een rol.
Maar de bevolkingsgroei die met de komst van de landbouw gepaard gaat, leidt
tot uitputting van de natuurlijke bronnen en verdringing van het wild. De
eerste steden ontstaan 5.000 jaar geleden met tempels en openbare gebouwen voor
bestuur en administratie. De inwoners leven niet meer hoofdzakelijk als boer en
hun bogen en speren worden primair oorlogswapens. De burgers van deze
stadsstaten moeten zichzelf en hun rijkdommen verdedigen tegen concurrenten,
opstandige boeren en de ruiters van de steppe. Zij proberen naburige steden te
overheersen en de eerste grote beschavingen krijgen hun vorm. Hun lichte
strijdwagens met de boog beheersen het strijdtoneel. Vanaf het ontstaan van de eerste steden, zoals Oer, staan stadsburgers
voor de vraag hoe zich te verdedigen. Het juiste antwoord is, dat de burgers de
eigen stad moeten verdedigen. De boog speelt een steeds grotere rol als
strijdwapen, nadat het duizenden jaren de mens had geholpen bij de jacht.
In Europa dringt de landbouw 7.000 jaar
geleden binnen maar is pas 4.000 jaar geleden vrij algemeen. Ook hier leidt de
ongemakkelijke verhouding tussen boer en nomade tot conflicten. Op
verschillende plaatsen worden slachtoffers van overvallen gevonden, zoals bij
Wassenaar. Tot die tijd is het aan pijlpunten gevonden bloed meestal van
dieren. Ook in de graven uit onze streken vinden we pijlpunten zoals bij
Rhenen, Wijchen of in Friesland. De kerstening verandert de begrafenis rituelen
en de bijzetting van bogen en pijlen verdwijnt. Bij Wassenaar en in de Betuwe
zijn nog 500 – 950 jaar oude fragmenten van bogen gevonden en de Friese
ontginners droegen de boog bij zich toen zij 1000 jaar geleden de ‘Hollandse’
graaf te hulp schoten. Bogen zijn gemaakt uit allerlei voorhanden materialen,
de boog uit één stuk hout van essen of taxus en bogen uit het oosten bezitten
een kenmerkende gekromde vorm. Deze samengestelde bogen zijn gemaakt uit hoorn,
been, hout, pezen en leer. De pees kan afkomstig zijn van dieren, of van vlas
zijn gemaakt. Zelfs met groene zijde is geëxperimenteerd voor de pijl met de
langste vlucht. Pijlen zijn ook uit verschillende houtsoorten gemaakt, vaak met
in een kruisverbinding aangebrachte delen uit een zwaardere houtsoort, zoals de
oudste, bewaard gebleven pijlen uit Duitsland leren, gevonden bij Stellmoor.
Maar ook een ruwe tak van bijvoorbeeld de hazelaar volstaat als schacht. Punten
zijn meestal gemaakt uit vuursteen of metaal sinds de ijzertijd. Ook in punten
is de variatie groot en is de vorm afhankelijk van het doel voor de pijl.
Van in noordwest Europa bewaard gebleven bogen
van jager-verzamelaars uit de tijd van de overgang naar de landbouw zijn
replica’s gemaakt en is het trekgewicht bekend. Deze manshoge bogen hadden een
trekgewicht van 70 tot 100 lbs (Engelse ponden). Alleen een kortere, oudere
kinderboog uit de ijstijd was lichter. Met welk trekgewicht de schutters in
Holland schoten is niet bekend, maar hun jachtbogen waren al zwaar en in
oorlogstijd zijn hogere trekgewichten waarschijnlijk. De Mongoolse boog heeft
een trekgewicht van 120 lbs en de Engelse longbow zelfs 180 lbs. De
reconstructie van een 5de eeuwse Nydamboog uit de ‘duistere’ periode
had echter een trekgewicht van 45 lbs. In het legermuseum van Delft zijn wel de
vuurwapens te vinden, maar de boog niet. Bij het ontstaan van de Hollandse
steden 800 jaar geleden gebruikten de schutters hun bogen bij de verdediging
van hun stad. Maar de boog is vaak onzichtbaar op de Hollandse of Vlaamse
schuttersstukken, die in de 16de en 17de eeuw veelvuldig
geschilderd worden.
Halverwege de 16de eeuw wordt de
boog verdrongen door het vuurwapen. De vloot gebruikt kanonnen en ook
landlegers worden met vuurwapens uitgerust. Den Haag stelt in 1545 handbussen
beschikbaar aan Sint Sebastiaan en de Doelen in Delft zijn in 1563 geschikt
voor oefening met het vuurwapen. In de opstand tegen Spanje worden huurlingen
ingezet die hun eigen musket meenemen. Admiraals en generaals hebben een
voorkeur voor kruitdampen en luide knallen. Het is de vraag of zij daar
verstandig aan deden, of dat het ‘koperen bijl complex’ weer een rol speelt.
Zij hebben ook een economische reden: huurlingen met buksen zijn goedkoper dan
het ook in vredestijd op de been houden van getrainde boogschutters. Soldaten
gebruiken een ‘voorlader’. Per schot moet er een lading kruit afgemeten worden.
Dit kruit wordt in de loop gestampt samen met een prop. Tot slot moet de loden
kogelbal in de loop geschoven worden. Met een lont of een vuursteen wordt door
het overhalen van de trekker het kruit in de pan ontstoken, wat via een
‘zundgat’ de hoofdlading achter de kogel moet ontsteken. Daar zit enige tijd
tussen wat het richten bemoeilijkt. De ronde kogel stuitert door de gladde loop
en komt in een instabiele baan. Als er iets fout gaat – te veel kruit of
een vuile loop – ontploft de boel in je gezicht. Ook is de kans groot,
dat de hoofdlading niet ontploft, omdat de lont of de vonk het kruit in de pan
niet ontsteken, of het zundgat verstopt is.
Het geweer is dus omslachtig, onbetrouwbaar en
weinig doeltreffend. Hoewel in de tweede helft van de 19de eeuw al
de nodige technische verbeteringen zijn doorgevoerd t.o.v. bovenstaande beschrijving,
was de trefkans op een afstand van 50 meter slechts 30%. Zeven van de tien
afgevuurde schoten missen doel en op grotere afstanden was de trefkans nog
kleiner. De site van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe kan dit
verduidelijken. Deze Veluwse schutters schoten met een oorspronkelijk Frans
Beaumont geweer uit 1777 op afstanden van 100, 150 en 200 passen (ca. 75, 110
en 150 meter). Dit geweer was aangepast van een ontsteking met een vuursteen
naar een percussie ontsteking met een betrouwbaarder slaghoedje in 1840. Van
alle 4.400 schoten in de jaren 1867 (het oprichtingsjaar van Frederik Hendrik,
dat met hetzelfde geweer schoot) en 1868 afgevuurd, was slechts 17 % raak,
waarvan slechts 61 schoten (1,5%) de witte roos van 10 cm doorsnee troffen. De
andere treffers raakten de schijf van 50 cm doorsnee, ongeveer de breedte van
romp met armen van de tegenstander. Van de 61 schoten in de roos waren 59 op de
kortste afstand van 75 meter en slechts 2 op een grotere afstand. De kans dat
een geweerschot doel zou treffen is slechts 17% op afstanden van 75 meter en
meer. In 1868 meldt het jaarverslag van Frederik Hendrik, dat 2.300 schoten met
700 treffers zijn gelost op een gangbaar blazoen is van het type ‘Hoorn’ met
een witte roos van 10 cm doorsnee, een zwarte rand van 50 cm en een witte rand
van 90 cm doorsnee. Slechts 78 schoten raken de roos (3%). Ook hier missen
zeven van de tien schoten het doel.
Met pijl en boog kan je veel sneller schieten,
6 tot 12 pijlen binnen de tijd die het laden van deze geweren koste. De
betrouwbaarheid en de trefkans van de boog waren groter. Gezien de resultaten
met de musketten, is het merkwaardig dat de schutters op het slagveld hun bogen
thuislieten. Immers waren veel schutters van de nieuwe doelen nog bekend met de
boog. Zij oefenden daar nog regelmatig mee en kenden het verschil in
effectiviteit. Het musket was alleen gevaarlijk, omdat soldaten van korte
afstand in gesloten rijen op elkaar schoten. Opgesteld in dichte rijen op
schootsafstand zal een schot vaker de buurman dan het gekozen doel getroffen
hebben. Het schroot- of hagelgeweer of de boog zou veel doeltreffender geweest
zijn.
Joseph Howland Bill is legerarts in de tweede
helft van de 19de eeuw. Deze Amerikaan houdt tijdens de oorlog
nauwgezet de verwondingen bij, die soldaten opliepen tijdens gevechten met
indianen. Naar schatting van deze legerarts was 80% van de geschoten pijlen
raak en wanneer de resultaten van een groep geoefende boogschutters worden
geanalyseerd klopt die schatting redelijk. Het valt hem – en andere
legerartsen – op dat de meeste slachtoffers getroffen worden door
meerdere pijlen. Als een eerste pijl doel heeft getroffen, volgen vaak meer
pijlinslagen. De indianen hebben een voorkeur voor de buikstreek, maar ook de
borstkast is doelwit. De pijl heeft een vuurstenen punt met scherpe kanten.
Deze punt is met hars op een schacht bevestigd en vastgebonden met vezels. In
het warme lichaam van het schachtoffer komt deze punt makkelijk los. De punt
van vuursteen blijft dan steken in het lichaam. De arts verbiedt het de pijlen
aan de schacht uit de wond te trekken. Voor een arts is de punt dan niet meer
te vinden en te verwijderen. De chirurg kan alleen via de schacht de punt
vinden. Als de punt niet te vast in zware botten zit, kan deze worden
verwijderd met een strop van dun ijzerdraad, die over de schacht wordt geleid.
Als de punt te vast zit in het bot zijn zwaardere instrumenten nodig. In
tegenstelling tot een kogel, moet de vuurstenen pijlpunt altijd worden
verwijderd. Anders blijft deze snijden en infecties veroorzaken. De vuurstenen
punten veroorzaken ook ontstekingen omdat zij vervuild zijn. Een geliefde
methode bij de indianen is de punten eerst in rottende lever te dompelen. De
indianen mikken bij voorkeur op de romp. Vooral treffers in de buikstreek,
waarbij de darmen worden doorboord, zijn dodelijk. Een soldaat, die uitsluitend
getroffen is in armen of benen, waarbij geen bot is geraakt en de punt er aan
de andere kant uitsteekt, is een week uitgeschakeld, als er geen infectie optreed.
In dergelijke gevallen kan de pijl door arm of been worden getrokken. In alle
andere gevallen is een chirurgische ingreep noodzakelijk.
Hij publiceert zijn bevindingen in 1862 in een
Amerikaans medisch tijdschrift en wijst op de voordelen van de pijl en boog. De
indianen kunnen in een hoger tempo en accuraat op grote afstand pijlen
afschieten. De meeste slachtoffers zijn uitgeschakeld. Van de slachtoffers
overlijdt zelfs 70% door de schok, bloedverlies wanneer een ader is geraakt,
bloedvergiftiging of infectie. Hij adviseert de legerleiding daarom de troepen
met pijl en boog uit te rusten. De pijl is door zijn ontwerp gevaarlijker dan
de gloeiend hete loden bal, die een lichaam binnendringt. Ondanks zijn
ervaringen met verwondingen door vuurwapens en kanonnen die tijdens de
burgeroorlog in Amerika veel dood en verderf zaaien, acht de legerarts juist de
pijl bijzonder gevaarlijk. De indianen waren in zijn ogen met hun bogen in het
voordeel boven de soldaten met hun musketten
[5]
.
In 1862 publiceert dr. Bill zijn bevindingen
in het ‘American Journal of Medical Sciences’:
36 slachtoffers
|
getroffen door 80 pijlen
|
waarvan 22 overlijden
|
Waarvan 5
|
met hoofdwonden
|
2 overlijden
|
Waarvan 15
|
met borstwonden
|
4 overlijden
|
Waarvan 21
|
met buikwonden
|
20 overlijden
|
Er zijn dus vijf
slachtoffers met gecombineerde buik, borst of hoofdwonden, waarvan vier
overlijden
|
||
Een pijl is gevaarlijk en de wond vaak
dodelijk. De vaardigheid om pijlen en vooral pijlpunten te verwijderen draagt
bij aan de ontwikkeling van kennis in de chirurgie. In heel oude medische
handboeken staan al beschrijvingen van stangen met een lus om de punt beet te
pakken en te verwijderen. Ook uit de overgeleverde verhalen blijkt het inzicht
in het gevaar van pijl en boog. Uit onder meer Griekse mythen en
Zuid-Amerikaanse Indianenverhalen is de voorstelling bekend, dat dodelijke,
besmettelijke ziekten veroorzaakt worden door onzichtbare pijlen die goden op
mensen afvuren. Sint Sebastiaan was niet alleen beschermheer voor
boogschutters, maar ook tegen de pest. Openbrekende pestbuilen lijken op
pijlwonden. Bij deze heilige komt het beeld van pijlen en een besmettelijke
ziekte, met de dood tot gevolg, samen. Uit dezelfde overlevering blijkt, dat de
oude Grieken en Germanen de boog iets voor lafaards vinden die het gevecht van
man tegen man zouden vrezen. De boog is slechts geschikt voor de jacht en voor
jongelingen. Echte mannen lieten de vijand hun staal proeven. Toch is de boog
bij de meeste, goed gedocumenteerde veldslagen gebruikt. Het is ook logisch de
vijand te bestrijden met pijl en boog tot hij binnen bereik van slag- of
steekwapens komt. De overlevering stamt van de elite met het zwaard die de
eigen heldhaftigheid wil benadrukken door de rol van de pijl en boog van gewone
mensen te ondergraven. Bovendien biedt deze redenatie een mooi excuus voor een
vlucht bij een overmacht aan pijlen: waren de lafaards maar dichtbij genoeg
gekomen dan was het heel anders gelopen.
Verhalen en schriftelijke bronnen stammen
meestal van de overwinnaars dat wil zeggen: de elite, de adel en de
grootgrondbezitters. Het schrift is ontwikkeld om de waarde van hun bezittingen
en de erfopvolging vast te leggen. Wij leren onze geschiedenis bij het begin
van de jaartelling kennen via de Romeinen en de Middeleeuwen via de Franken.
Romeinse legers verloren niet van barbaren, maar trokken zich ordelijk terug.
Meestal om met versterkingen opnieuw aan te vallen en te overwinnen.
Ridderlegers van de Frankische keizers verloren ook niet van boerenlegers. Zij
werden verraderlijk in het moeras gelokt of verdronken in een poging hun
schepen te bereiken. De plaatselijke boeren gebruiken hun kennis van het
landschap en verdedigen zich met hun bogen, speren en bijlen. Bovendien vochten
zij voor hun vrijheid. De in Nederland belangrijkste overwinningen van boeren
op keizerlijke legers vonden plaats bij Vlaardingen (1018) en Ane in Drenthe
(1227).
De effectiviteit van pijl en boog is groter
tot de uitvinding van de moderne kogel in een eigen huls met kruit, de
getrokken loop en het repetitie mechanisme. Toch verdwijnt de boog dan ook nog niet,
mogelijk uit hang naar traditie, of omdat de pijl kon worden hergebruikt en
munitie duur is of juist uit sportief oogpunt. Wanneer het vuurwapen de rol van
de boog op het oorlogstoneel overneemt, wordt de boog niet meer als een
gevaarlijk wapen gezien, maar meer als speelgoed. In een ‘essay on archery’ uit
1792 zegt E. Hargrove: “de boog –
het wapen van de oudheid – eens zo krachtig, zo gevreesd en zo bloedig,
een wapen waarmee het ene volk het andere overheerste, is voor ons een
instrument van beschaafd amusement. Een groep boogschutters komt zelfs minder
bedreigend over dan de gladiatoren van de schermschool”. Door
onderschatting van de gevaren en onvoldoende toezicht vallen tegenwoordig de
meeste slachtoffers van verwondingen door pijlen in het ‘spel’ van kinderen
[6]
met de boog. Zij schieten op elkaar, of in den blinde; over een hek of
schuur waarachter zich nietsvermoedende slachtoffers kunnen bevinden. Ook
Amerikaanse jagers met compound bogen verwonden een medejager of zichzelf door
een val, maar dat is eigen schuld, dikke bult. Wanneer de rol van de boog bij
de jacht en in de strijd raakt uitgespeeld, blijft het sportieve element over.
De jager-verzamelaars groeiden al duizenden
jaren op met de boog. Spelen en leren zijn duidelijk verweven. Er is me een
beeld bijgebleven van een kind van een jaar of vijf, dat in een dorp van
Amazone indianen met een kleine, lichte boog aan het spelen is en op een
boomstronk schiet. Het spel element is al sinds het begin aanwezig. Overal en
in alle culturen zien we kinderen met een boog spelen. Vanaf het begin hebben
kinderen de kunst van het boogschieten beoefend en het gebruik van jongs af
geleerd. Of zij ook als volwassenen in de prehistorie onderlinge wedstrijden hielden,
zullen we nooit weten. Waarschijnlijk wisten zij van elkaar toch wel wie bij de
jacht het meeste succes had. Voortdurende oefening is nodig voor het effectief
gebruik van een boog. Oefenen zonder spel element is saai. Het is heel goed
voorstelbaar, dat bij de oefening al snel een spel- of wedstrijd element een
rol gaat spelen. Er komt dus een moment, waarop binnen de groep of tussen
stammen wordt gekeken wie het sterkst, snelst of het beste was. Overal zijn
beelden of beschrijvingen te vinden van boogschutters die op een doel of een
kluit aarde schieten om te bepalen wie de beste is. Onderdeel van de oeroude
wedstrijd traditie met de boog is het heen en weer schieten, indien op
statische doelen werd geschoten. Meestal wordt over een grote afstand geschoten,
wat het heen en weer schieten verklaart, dat één keer lopen uitspaart. De
doelen, oorspronkelijk een opgeworpen hoop aarde, lagen aan weerszijde van het
schietterrein. De deelnemer schoot een pijl, liep naar het doel en schoot
daarvandaan de pijl terug.
Je vindt het heen en weer schieten terug bij
de boogwedstrijd tussen dorpelingen op de flanken van de Himalaya en bij de
oudste boogwedstrijd die in Engeland nog gehouden wordt. Als de longbow niet
meer bij vloot en leger in gebruik is komt de hang naar traditie naar voren. In
Yorkshire en Teeside wordt sinds 1673 jaarlijks een wedstrijd met houten pijlen
en bogen georganiseerd, waarbij heen en weer wordt geschoten. Het is de oudst
bekende boogwedstrijd, die nog steeds in ere gehouden wordt. Maar er zijn
oudere bronnen. In Manchester had de bevolking de
verplichting naast de kerk aarden doelen (butts) te onderhouden van 1560 tot
1686. Dezelfde aarden doelen die op de flanken van het Himalaya gebergte worden
gebruikt voor een wedstrijd in of tussen dorpen. Ook elders in Azië
worden wedstrijden tussen dorpen verschoten. Interessant is, dat zowel de
Haagse als de Delftse schutters op hun banen ook heen en weer schoten zo blijkt
uit de plattegronden. Een schietbaan, ongeveer tachtig meter lang met aan
weerszijden een wachthuis, waarvoor een doel geplaatst was. Een traditie die
nog steeds in Engeland wordt volgehouden en die in Delft tot 1988 gebruikelijk
was.
Rechts de banen in Delft (1581, Verwersdijk)
|
links de banen in Den Haag (1598 naast de Hofvijver)
|
Het boek ‘Schutters
in Holland’ dat de Frans Hals tentoonstelling begeleidt, beschrijft de bijna
identieke schilderijen met de boogschutters aan de Hofvijver in Den Haag. Er
staat dat de boogschutter door een gat in de schutting van de ene kant op het
doel naar de andere kant schoot. De schutting met het gat en het huisje achter
het doel moeten missers opvangen en dienen de veiligheid. De auteur P.T.E.E. Rosenberg neemt aan, dat er van achter de
schutting naar het doel op de andere kant wordt geschoten. Hij ziet een gat.
Omdat ik bekend ben met het heen en weer schieten, zie ik iets anders op het
schilderij. Ik zie twee wachthuisjes met doelen aan weerszijden. Het zwart in
de schutting is geen gat, maar een zwarte, vilten schijf van een voet doorsnede
met een witte roos ter grote van een dukaat. Dit is een normaal blazoen zoals
beschreven in het archief van Delft
De vraag wanneer boogschieten als sport opkwam
is beter te beantwoorden door te wijzen op de functie die overblijft nu jacht
en oorlog als motief vervallen. Het boogschieten is als sport niet beperkt tot
de laatste paar honderd jaar. Beter is te zeggen dat andere motieven zijn
weggevallen. De oudste beschrijvingen van boogwedstrijden die ik heb gevonden
stammen van de Grieken en de Chinezen. In het oud-Griekse opus de Ilias komen
dodenspelen voor met boogschieten. Bij de Griekse Olympische Spelen stonden
hardlopen, worstelen en boksen, paardenrennen en de vijfkamp op het programma,
maar boogschieten was geen Olympisch onderdeel. Uit China is bekend dat op het
ijs is geschaatst en – vergelijkbaar aan de huidige biatlon – na
een gereden afstand met de boog op een doel is geschoten. De Scorton Arrow in
Yorkshire wordt beschouwd als de oudste nog levende wedstrijdtraditie. Met de
longbow wordt heen en weer geschoten op een afstand van 100 yards (90 meter).
De eerste die de roos van 8 cm doorsnee raakt is winnaar. De overeenkomst met
een baan van 112 passen en een roos van ca. 11 cm in Delft uit 1621 is
opvallend.
Uitgaande van de traditie van het jaarlijkse
koningschieten, die bij haast alle schutterijen in Nederland en Vlaanderen
voorkomt, is in de lage landen het wedstrijd element al sinds de 14de eeuw aanwezig. De oudste Hollandse bron stamt van een rekening over de zes
kannen wijn die het gemeentebestuur van Dordrecht in 1326 beschikbaar stelt
voor de Koning bij het schieten op de gaai en in 1379 worden in de Delftse verordening plichten aan de schutterskoning
opgelegd. Als schutters voor de noodzakelijke oefening bijeenkomen is een
onderlinge competitie snel geboren. De leden van de schutterijen houden van
Pasen tot oktober eens per maand op hun banen een onderlinge wedstrijd. In 1394
wordt te Doornik een toernooi voor schutterijen gehouden met deelname uit Den
Briel, Gorkum, Schoonhoven, Schiedam, Gouda, Amsterdam, Haarlem, Delft en
Dordrecht
[7]
. Deze toernooien zijn populair in het zuiden en de winnaar moet het
volgende toernooi organiseren.
Delft kent een
schutterskoning sinds 1379. In een verordening bekrachtigd door het
gemeentebestuur krijgt deze koning ook allerlei plichten, zoals toezien op
regelmatige oefening en het schouwen materiaal
[8]
. Het jaarlijkse koningschieten wordt in Delft tot
1822 volgehouden, vermoedelijk met de buks sinds de bouw van de doelen in 1563;
de koningspenning uit 1737 toont twee gekruiste buksen. De laatste koning van
de confrérie wordt in 1821 gehuldigd. Nog geen 100 jaar later voert Frederik
Hendrik het koningschieten in Delft weer in. Het koningschieten gaat in 1917
over 15 tellende pijlen en na kennismaking met het koningschieten in het gewest
over 16 tellende pijlen. Deze 16 pijlen bij het koningschieten zijn traditie in
de vereniging, maar ook er buiten: bij de 1-pijl wedstrijden bestond een heul
oorspronkelijk uit 16 pijlen. Willem III loofde halverwege de 19de eeuw een zilveren penning uit voor de schutter die tijdens de jaarlijkse
wedstrijd over 32 pijlen (een dubbele heul) het beste scoorde. Zestien pijlen,
net als 36 bij 3-pijl wedstrijden, lijkt op een getal van voor de invoering van
het decimale stelsel. Hoe oud dit deel van de traditie is, durf ik niet te
zeggen. Misschien was het plaatselijk verschillend, zoals vaker met maten en
gewichten. Het koningschieten gaat terug tot de 14de eeuw, maar niet
altijd met scores op een blazoen. Vaak werd op de vogel geschoten. Je kunt je
zelfs afvragen of het koningschieten al een oudere traditie is, onderdeel van
wedstrijden om binnen de groep uit te maken wie de sterkste, snelste of beste
is. Het past bij het beeld van voorouders die samenkomen onder de heilige eik
of taxus om belangrijke beslissingen te nemen en een feestmaal aanrichten. Een
aantal bronnen vermelden, dat voormannen binnen Germaanse stammen door het lot
werden aangewezen of werden verkozen uit de beste en dat zij in Frankische
schriftelijke bronnen als duce of rex zijn beschreven.
Er is
discussie mogelijk over zowel de oprichtingsdatum als de opheffing van
schutterijen. Ik ben het eens met degenen die zeggen dat de schutterijen zo oud
zijn als de stad. De schutterij is als beschermer van de
vrije burgers ook in Holland net zo oud als de stad, maar de oprichting van een
officieel gilde met een kerkelijke inzegening is van later datum. De gilden, inclusief de schuttersgilden, uit
de middeleeuwen zijn ontstaan bij de opkomst van de Hollandse steden rond het jaar
1250. Het aantal schutters wordt per stad vastgelegd bij het verlenen van de
stadsrechten. Een ander baseert zich op de schriftelijke bronnen met een latere
oprichtingsdatum. De kerkelijke inzegening komt pas in de 14de eeuw
op gang en in de door de kerk bewaarde schriftelijke bronnen is een datum te
vinden, waarop een altaar is opgericht voor Sint Joris of Sint Sebastiaan. De oudste
vermelding in schriftelijke bronnen stamt uit het in België gelegen Tournai
(Doornik 1103, Sint Joris met de kruisboog)
[9]
.
Paul Knevel
stelt in Burgers in het geweer. De schutterijen in Holland, 1550-1700,
dat de plicht de landheer voor zijn leger een aantal schutters te leveren niet
betekent, dat er ook al een organisatie van schutters bestond. Hij legt –
met een militaire ‘bril’ – eenzijdig de nadruk op de heervaart: de plicht
manschappen te leveren aan de graaf. De stadsrechten leggen niet alleen deze
plicht vast, maar ook het recht op het dragen van wapens ter verdediging tegen
gevaren: de uitvoering van politie- en brandweertaken, de nachtwacht,
enzovoorts. De schutterijen van de steden leverden niet
alleen schutters aan het leger van de graaf. Zij vervulden allerlei taken om de
stad te beschermen tegen onheil. Voor
de vaardigheid van het boogschieten is regelmatige oefening nodig, wat
impliciet organisatie veronderstelt. Voor het verdelen van alle bijkomende
taken is zeker organisatie vereist. In de stad worden veel werkzaamheden
verricht: de nachtwacht organiseren, poorten bewaken, en de taken van politie
en brandweer uitvoeren. Voor de uitvoering van al deze taken zijn de
schutterijen gevormd. Een aantal taken bestond al langer: als de alarmbel in de
9de eeuw alle mannen gezond van lijf en leden opriep bij een
dreigende ramp, dan was ook bekend wie deze bel moest luiden. Het is
waarschijnlijk, dat er al een organisatie voor de uitvoering van bovengenoemde
taken bestond rond de tijd van het verlenen van stadsrechten. Net als bij het
ontstaan van de waterschappen werd erkend, wat al onder de boeren bestond,
leggen stadsrechten vast wat onder de burgerij in de stad bestaat. Naast de
tiende penning betaalt de weerbare burger ook belasting in natura: hij loopt om
de week de nachtwacht en zorgt zo voor veiligheid in zijn gemeenschap.
Sommige gebeurtenissen kunnen het bestaan van
een schutterij onderbreken of zelfs tot ontwapening en ontbinding van de
schutterij leiden. Een Hoeks gemeente bestuur neemt wraak op Kabeljauwse leden
van de schutterij en de schutters worden verbannen. Tijdens de
godsdiensttwisten weigeren leden van de schutterij de opdracht hagepredikers te
verdrijven en blijven neutraal. In Delft wilde het gemeentebestuur de
protestanten door de schutterij laten weren, maar de schutterij weigerde en was
alleen bereidt plundering te voorkomen. In Haarlem en Groningen stelde de
schutterij respectievelijk het gemeentebestuur voor de beelden uit de kerk te
halen en deze in veiligheid te brengen. Soms nemen schutters zelf deel aan de
Beeldenstorm: een mooi voorbeeld is Eindhoven. De deelnemende leden van de
schutterij moeten in 1566 de stad ontvluchten en de schutterij wordt verboden.
In 1604, 38 jaar later, zijn de doelen door het stadsbestuur ‘bevrijdt’ en op
11 juni dat jaar werd de eerste koningspenning weer uitgereikt. Het katholieke
gemeentebestuur in Amsterdams ontbindt de drie schutterijen in 1567, omdat zij
de invloed van protestanten vrezen, maar de stad sluit zich in 1578 bij de
opstand aan. Ondanks deze onderbrekingen, spreken wij van een bestaand gilde.
Als
einddatum voor schuttersgilden
[10]
wordt soms de opstand tegen Spanje
genoemd. De Unie van Utrecht zou leiden tot een reorganisatie van de
schutterijen. Als reden voor opheffing van de schutterijen wordt verwezen naar
artikel 8 van de Unie van Utrecht uit 1579, waarin de dienstplicht is geregeld.
Alle weerbare mannen van 18 tot 60 jaar kunnen worden opgeroepen. Vanwege de
oorlog met de Spaanse bezetter is de schutterij uitgebreid volgens het landweer
principe: alle weerbare mannen worden gemobiliseerd. Het mobiele leger van de
Republiek bestaat voortaan vooral uit beroepssoldaten. Deze soldaten zijn in
garnizoenen gelegerd, waarvoor de stad de ene helft en de Staten Generaal de
andere helft betaalt. Wanneer het garnizoen ten strijde trekt moet de
vrijwillige stadsschutterij hun rol in de stad overnemen of het garnizoen
aanvullen in de strijd. De stadsschutterij blijft dus bestaan en wordt zelfs
uitgebreid. In feite is er sprake van continuïteit: er is altijd al een beroep
gedaan op alle gezonde mannen onder dreigende omstandigheden. De morele plicht
tot gezamenlijke landweer is het eerst gedocumenteerd tijdens de rooftochten
van de Vikingen. De plicht tot het dragen van wapens voor deze verdediging is
al te vinden in het oude, Friese gewoonterecht. Deze algehele mobilisatie kwam
ook voor tijdens de vorige roerige periode met de Hoekse en Kabeljauwse
twisten.
Het
zelfbestuur van de gilden verdwijnt en de stadhouder of het gemeentebestuur
krijgen het vaak voor het zeggen. Maar in Hollandse steden behouden de
schutterijen hun positie. In Den Haag blijven de oorspronkelijke namen –
Sint Joris en Sint Sebastiaan – gehandhaafd en worden voor hen nieuwe
Doelen opgericht. In Delft kiezen de schutters van de confrérie bij de maaltijd
na het koningschieten nog steeds de officieren en kapiteins van de 4 vaandels
waaruit de stadsschutterij bestaat. De – zich in
1662 ridderlijk noemende – confrérie van de nieuwe doelen is een
voortzetting van Sint Sebastiaan, het oorspronkelijke gilde. Delft kreeg in
1246 stadsrechten, moest 41 schutters leveren en uit de verordening uit 1379 blijkt
dat de schutterskoning maandelijks de schutters moet schouwen. Deze confrérie
kiest de hoofdlieden voor de vier vaandels in de stad, niet het gemeentebestuur. Het lidmaatschap van de ridderlijke confrérie wordt in de 17de eeuw beperkt tot de rijken, wat te zien is als onderdeel van het proces van
aristocratisering.
Andere
gewesten en steden buiten Holland worden wel onder curatele van de Staten of de
stadhouder geplaatst. In Utrecht wordt de schutterij door fanatieke calvinisten
geleid die een theocratische koers voorstaan en door Maurits’ leger in het
gareel moeten worden gebracht. In Groningen speelt het verraad van Rennenberg
en komen de katholieken weer aan de macht. Alleen in deze situaties worden
schutterijen onder het gezag van nieuwe, door de stadhouder benoemde,
gemeentebesturen gebracht. In feite worden grote delen van de republiek onder
curatele van de Staten Generaal geplaatst (generaliteitsgebieden) en bestuurt
door de stadhouder. De daarop volgende zuiveringen worden door sommige historici
gezien als het einde van de schutterij. Schutterijen blijven echter bestaan en
hun imposante doelen worden in de meeste steden juist verbouwd.
Door de
bril van het rijke roomse leven bestaat in de zuidelijke provincies de
overtuiging dat schuttersgilden zijn opgedoekt bij de vrede van Munster in
1648. ‘Staats Brabant’ wordt dan als ‘wingewest’ aan de Verenigde Republiek
toegevoegd. Alfonds Ising zegt in zijn boeken over de traditionele gilden: “Alle
zilver van het gilde ging verloren en de bezittingen werden verbeurd verklaart”
[11]
. Inderdaad is de rol van de
rooms-katholieke kerk uitgespeeld, maar de schutterij blijft bestaan en de
mobilisatietaak valt – net als in Holland – voortaan onder gezag
van het nieuw benoemde, calvinistische stadsbestuur. Als gewest staat Brabant
net als Gelre of Utrecht onder curatele van de Staten Generaal. Samen met het
onbetrouwbare Groningen worden zij daarom als generaliteitsgebieden aangeduid.
In de ogen
van Brabanders en Limburgers is het einde van de traditionele schuttersgilden
anders wel de schuld van de patriotten en de Fransen uit 1795. Blijkens de
verhalen op hun websites hebben zij de overtuiging, dat hun gilden bij wet op
13 september 1796 zijn opgeheven. De patriotten richten dan de burgermacht op
en schutters die geen lid van de burgermacht worden, moeten de wapens
inleveren. De schutterij blijft in de vorm van een burgermacht gewoon bestaan.
Sinds 1815 staan het leger en de officieren van de stadsschutterij onder gezag
van de koning. Het gemeentebestuur blijft verantwoordelijk voor rekrutering,
oefening en wapenopslag. De stadsschutterijen worden pas opgeheven aan het
begin van de 20ste eeuw bij de invoering van de nationale
dienstplicht.
De oprichting van Frederik Hendrik in Delft is
in 1867 op politieke, sociaal utopische idealen geïnspireerd. In de geest gaat
Frederik Hendrik terug op de traditie van stadsschutterijen. Het is een
vereniging met weerbaarheid als oogmerk bij de oprichting en sportiviteit en
gezelligheid als motief voor de actieve leden. Bij Frederik Hendrik is het
vorderen van de geweren voor de mobilisatie bij het uitbreken van de Eerste
Wereldoorlog aanleiding om in 1915 met de boog te gaan schieten. Sinds de
Tweede Wereldoorlog – nadat de Duitsers de geweren confisceerden –
is Frederik Hendrik uitsluitend een handboogvereniging. In Delft is tot in de
tweede helft van de 17de eeuw met de boog geschoten. In het Delfts
archief zijn reglementen met
rekeningen voor het prijsschieten met de handboog tot 1661 opgenomen. Ook komt
de handboogvereniging ‘de Vriendschap’ voor in dit archief die in Delft van
1846 tot ca. 1862 de schutterskoningen leveren.
Frederik Hendrik is één van de oudste
verenigingen in het gewest Holland. De meeste handboogverenigingen zijn in de
tweede helft van de twintigste eeuw opgericht. Alleen Concordia in Amsterdam is
ouder (1848) en schiet bovendien sinds het begin met de handboog, dankzij het
handboog concours van Willem III. Als Zeeland erbij betrokken wordt, is in
Yerseke nog een oude vereniging te vinden, maar ik weet niet of deze een
continue geschiedenis kent.
De doelschutters met pijl en boog schieten
tegenwoordig met bogen van 30 tot 40 lbs; de kinderbogen van onze voorouders.
[1]
Het gaat niet om naïef
vooruitgangsdenken. Een voorbeeld van dit naïeve denken betreft de kruisboog.
Als moderne, technische ontwikkeling wordt de kruisboog vaak als een
verbetering gezien. Maar bij gelijk trekgewicht heeft de kruisboog een
rendement van slechts 70% -75% van de handboog. De trekarmen van de kruisboog
zijn korter, de pijlen eveneens en hebben daardoor minder snelheid, massa en
doordringend vermogen. Bovendien heeft de handboog een zes keer hogere
vuursnelheid; je schiet 6 pijlen met de handboog in de tijd dat het duurt een
kruisboog opnieuw te laden en te spannen. Het nadeel van de handboog is dat
deze een levenslange training vereist, terwijl de meeste mensen na een korte
instructie met een kruisboog uit de voeten kunnen. Het is een vernieuwing
vergelijkbaar met de koperen bijl, die was niet beter dan een vuurstenen bijl,
maar mooier en gaf status. Dit verschijnsel duid ik aan als ‘koperen bijl
complex’. De overgang van de boog naar vuurwapens is een ander voorbeeld van
dit verschijnsel.
[2]
Onderzoek naar huidige jager-verzamelaars in de jaren 60, The human
web, JR en WH McNeill
[3]
Een pijlpunt van 250.000 jaar oud gevonden in de Noordzee staat
bijvoorbeeld te koop op het Internet.
[4]
Het (door Amerikanen vaak eenzijdig benadrukte) recht op het dragen
van wapens, als basis voor onze vrijheid, is nauw verbonden met de plicht de
gemeenschap, niet het individu, te verdedigen.
[5]
De indianen gebruiken geweren ook, als ze die te pakken krijgen. Een
kolonel beschrijft dat gerespecteerde oude krijgers vaak een geweer bij zich
hebben, maar jonge krijgers en arme indianen aangewezen zijn op de boog. Zoiets
zagen we in Holland ook bij de opkomst van de kruisboog.
[6]
Wundballistik bei Pfeilverletzungen, H. Sudhues
[7]
P. Knevel, Burgers in het
geweer. De schutterijen in Holland, 1550-1700
[8]
Een dozijn pijlen met stalen punten, een voldoende krachtige boog,
ijzeren hoed, armpijp, schutlap e.d.
[9]
Melsen; Sint Sebastiaan, Eindhoven 1482-1982
[10]
Andere
historici zien de rol van gilden pas eind 18de, begin 19de eeuw overgaan op ziekenkassen, pensioenfondsen en vakbonden.
[11]
Zo speelt de Republiek in
Brabantse ogen de rol van de Duitsers die in Delft Ons huis in 1943 vorderden
en het zilver stalen.